Zoeken
Lees voor

Jan Nieuwenhof, cliënt van wijkteam Den Ham Zuid

100 jaar actief, creatief, ondernemend & altijd vrolijk

Als de fotograaf aan het einde van het interview binnenkomt, grapt deze dat hij voor de gek is gehouden over de leeftijd van de vitale goed uitziende man die daar aan tafel zit. Ten tijde van het interview nog net 99, is Jan Nieuwenhof inmiddels een eeuw oud. Jan wordt geboren op 8 oktober 1919, een jaar na de Eerste Wereldoorlog, in Haarlemmerliede en Spaarnwoude, nu een deel van Haarlem. Tegenwoordig woont hij samen met schoonzoon Kees en dochter Anneke in een sfeervolle boerderij omgeven door een prachtige tuin in Den Ham. Zittend aan de keukentafel, vertelt de oudste man van Twenterand over zijn leven. ‘Als hij vertelt, ben je vanavond nog niet weg’, grapt Kees. En hoewel het niet zo laat wordt, had de interviewer genoeg kopij voor een boek. Dat Jan overigens zelf al schreef.

Mooie en minder mooie herinneringen

Vragend naar de samenstelling van het gezin waarin Jan opgroeit, laat Kees een stamboom zien. De eeuwling komt uit een gezin met vijf kinderen, allemaal jongens. Drie kinderen overlijden jong. Een broertje wordt nog geen jaar, het andere broertje overlijdt op vierjarige leeftijd aan hersenvliesontsteking. Zijn broer Frans overlijdt in 1944 op 20-jarige leeftijd aan TBC. Zijn halfbroer Gerard bereikt de mooie leeftijd van 89 jaar. Ook zijn moeder sterft jong, slechts 31 jaar oud in 1926. Jan is dan zes jaar. ‘Ik was met haar in Rotterdam om inkopen te doen. Ze moest hoesten en spuugde bloed op de stoep. Later hoorde ik dat ze open tuberculose had.’ Anneke: ‘Hij heeft haar nooit weer gezien.’ Jan is nog steeds zichtbaar aangedaan door het verlies van zijn moeder. ‘Mijn moeder kwam uit een heel gezellig gezin. Mijn stiefmoeder kwam uit een heel ander gezin. Dat was niet zo leuk.’

Kees licht toe: ‘Omdat vader moest werken, gingen de kinderen naar opoe. Zij regelde ook een nieuwe vrouw voor haar zoon. ’ Toch heeft Jan een mooie tijd in Haarlem, vertelt hij. ‘Mensen waren heel tolerant naar elkaar. Het geloof deed er niet toe.’

Bleekneusje

Jan vertelt dat hij tijdens zijn lagereschooltijd regelmatig naar het Herstellingsoord van de NS ging. Jans vader werkte in de centrale werkplaats van de Nederlandsche Spoorwegen. Als een secundaire arbeidsvoorwaarde konden gezinnen van NS-werknemers gebruik maken van twee rusthuizen in Vorden. Het van Hasseltpension was voor de kinderen. Anneke: ‘Het was bedoeld voor bleekneusjes om aan te sterken. TBC was een veelvoorkomende ziekte.’ Jan: ‘Je kon in de winter of herfst daarnaartoe; daar werd op school niet naar gekeken.’ Anneke: ‘Er was wel een leerplicht, maar daar werd niet zo nauw naar gekeken.’

Trouwen in de oorlog

Alhoewel Jan van zijn stiefmoeder Stien weinig liefde kreeg, zorgde ze wel plichtsgetrouw voor hem. Haar broer Gerard, stimuleert Jan om na de lagere school naar de Ambachtsschool in Haarlem te gaan waar hij de opleiding tot instrumentenmaker volgt. ‘Mijn oom overhoorde me altijd. Hij was heel streng, maar ik haalde de hoogste cijfers. Daarna ben ik als 16-jarige jongen bij de Centrale Werkplaats van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT) aan de slag gegaan.’ En omdat je moest wonen waar je werkte, vertrekt Jan naar Den Haag waar hij in de kost gaat bij de familie Deetman. Hier ontmoet hij de Haagse schone, Annie Scholten, zijn toekomstige vrouw. Ze verloven zich in 1940 en zorgen dat ze zoveel mogelijk uitzet bij elkaar verzamelen zodat ze kunnen trouwen. Inmiddels is de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. ‘Door te trouwen hoefde ik niet voor de Arbeitseinsatz (tewerkstelling) naar Duitsland.’ En toen moest het pasgetrouwde stel op zoek naar woonruimte. Dat valt nog niet mee in oorlogstijd. Via een collega komt Jan in contact met een man die na het overlijden van zijn vrouw alleen in een huis in Haarlem-Noord woont. Schoonzoon Kees licht toe: ‘In de oorlog moesten veel Haarlemmers die langs de kust woonden in opdracht van de bezetters hun huis verlaten. Mensen die alleen woonden waren verplicht gezinnen op te nemen. ‘Wij mochten bij meneer Verweij wonen, maar moesten de hele huur betalen en voor hem zorgen. Daar hebben we bijna 18 jaar gewoond.’

Op de vraag hoeveel kinderen er kwamen, antwoordt hij met een knipoog: ‘Ik geloof drie.’

Oudste zoon Frans wordt in 1944 geboren, dochter Ria in 1946 en nakomeling Anneke in 1953. Een jaar na de geboorte van de jongste, overlijdt meneer Verweij. Jan en zijn gezin dreigen het huis te moeten verlaten, maar ook nu kan hij rekenen op de steun van een oud-collega. ‘Ik had een collega die chef was geworden bij de gemeente bij de verdeling van huizen: hij regelde dat we in het huis konden blijven wonen.’

Engeltje op zijn schouder: over SS-ers en Grüne Polizei

Ook in de Tweede Wereldoorlog gaat het werk in de telefooncentrale ‘gewoon’ door en keert Jan, tegen zijn zin, terug naar zijn ouderlijk huis in Haarlem. Hij vertelt over een telefoonverbinding van Haarlem naar Normandië die elke nacht wordt gesaboteerd. Tot op een dag een militair van de Feldgendarmerie langskomt. ‘Zo’n officier met zo’n plak om de nek. We moesten met 25 mensen tegen de muur gaan staan. Hij vroeg aan mij hoe zo’n centrale werkte. Ik zei: ‘Heel gewoon, als het niet goed gaat, repareren we dat.’ Toen hij zei dat hij mij niet vertrouwde, dacht ik: ‘Oh Jan, daar ga je.’ Maar toen hij aangaf mij nooit meer te willen zien, ging ik juichend naar huis.’ Op mijn vraag of Jan in het verzet zat, antwoordt schoonzoon dat dat niet het geval was, maar wel alles saboteerde wat hij maar kon. Jan vertelt over een andere actie: ‘Er waren een aantal verzetsstrijders waar ik contact mee had in de gevangenis beland die onder bevel stond van de Grüne Polizei. Iemand van ons (de PTT) die goed Duits kon, belde dat ze vrijgelaten konden worden. Het was in ordnung…’. En zo geschiedde.

Op 6 december 1944 wordt Jan tijdens de Sinterklaas-razzia samen met andere mannen aangehouden en dreigt er alsnog tewerkstelling in Duitsland. ‘Het waren SS-ers: een smerig volk. We moesten naar het stationsplein. Iemand van de PTT wist een telefoon te vinden en belde naar de Duitser waar wij voor werkten. Schoonzoon: ‘Ze werkten voor een Duitser en je had de SS-ers. Dat waren vijanden. Ze hebben flinke ruzie gemaakt.’

Anneke voegt daaraan toe: ‘Er zijn er maar een paar uitgehaald. Een heleboel hebben het niet overleefd. Hij heeft een engeltje op zijn schouder. Dat heeft hij zijn hele leven gehad.’ Als ik mijn bewondering voor zijn heldhaftige gedrag uit, relativeert Jan dat meteen: ‘Je bent heel anders in de oorlog. Achteraf dacht ik wel eens dat ik hartstikke gek was.’

Van Den Haag naar Staphorst: verlangen naar het buitenleven

Als oudste zoon Frans in 1961 in Delft gaat studeren wil Jans vrouw graag mee om dichter bij haar familie in Den Haag te wonen. Jan: ‘Ik had inmiddels een en ander bijgeleerd en ging bij het hoofdkantoor als arbeidsanalist aan de slag.’ Na jaren in de stad willen ze graag in een meer landelijke omgeving gaan wonen en vraagt Jan overplaatsing aan. In die jaren zijn er plannen om het hoofdkantoor te verplaatsen naar Groningen. Jans vrouw wilde niet naar Groningen, maar wel naar de regio Arnhem of Zwolle. Het wordt die laatste plaats. Ze kopen een woning met weilanden omringd in het buitengebied van Staphorst. Dan is het 1971. ‘Dat was net wat ik wilde hebben. Anneke was de enige die nog thuis woonde.’ Kees voegt daar lachend aan toe: ‘En toen ontmoette ze een langharige tuinderszoon.’ Anneke: ‘We zijn allebei opgeleid als botanisch analist en zijn bij de PTT aan de slag gegaan. Vaders brengen zonen en dochters binnen bij de PTT, zo ging dat in die tijd. Wij zijn in het huis achter de woning getrokken. Wij hebben altijd samengewoond met mijn ouders.’ Jan gaat na ruim 43 dienstjaren in 1980 met pensioen.

ZorgAccent_dhr_Nieuwenhof-176

Samen onder een dak in Den Ham

Helaas krijgt Annie dementie en besluiten ze een groter huis te zoeken om samen onder een dak te gaan wonen om haar te ondersteunen. Zo belanden ze in 1996 in Den Ham in de prachtige boerderij waar ze nu nog wonen. Anneke: ‘Mijn moeder hield van uitgaan en vakantie. Vroeger huurden we hier ook wel vakantiehuisjes, we vonden het altijd al een mooie omgeving. En toen stuitten we op dit huis en waren we direct verkocht. Vader en moeder hadden hun eigen kamer en badkamer, maar verder leefden we gewoon samen. Na twee jaar werd mijn moeder opgenomen in Krönnenzommer. Ze dwaalde door het huis, ze smeet alles door de kamer. Ze was een lieve moeder en vrouw maar niet aardig in haar dementie. Ik had beloofd haar nooit het huis uit te doen. Maar ik werkte in Groningen en Kees in Leeuwarden. Het was niet te doen. Na de zoveelste TIA is ze in oktober 1999 overleden. Mijn vader is hier blijven wonen.’

Nooit te oud om…

Jan is dan 80 en ontzettend vitaal en het sprekende voorbeeld dat je nooit te oud bent om nieuwe vaardigheden aan te leren. Hij gaat dahlia’s kweken en samen met zijn dochter op schilderles. Hij exposeert een aantal keren met zijn oeuvre en in de boerderij hangen diverse fraaie kunstwerken van vader en dochter aan de muur. Ook volgt hij computerles. Verder reist hij samen met zijn dochter onder meer naar Spanje, Thailand en Rusland en onderneemt allerlei kortere uitstapjes. En alles legt hij vast op camera. Tot zijn 98e rijdt hij nog auto.

Zorg thuis van ZorgAccent: respect en vertrouwen

Geertje Peters, een verzorgende van wijkteam Den Ham Zuid van ZorgAccent is inmiddels ook aangeschoven. Jan krijgt sinds twee jaar zorg thuis van dit wijkteam. Anneke: ‘Twee jaar geleden werd hij ineens heel erg ziek en van de ene op de andere dag incontinent. Hij bleek prostaatkanker in een vergevorderd stadium te hebben.’ Het raakt Anneke overduidelijk: ‘Ik moest op een bepaald moment de zorg uit handen geven, het ging echt niet meer. En daar had ik het best moeilijk mee, ook omdat vader daar in eerste instantie niet voor was. In het begin moest vader elke dag verzorgd worden, nu drie keer per week.’ De dagelijkse verzorging doen Kees en Anneke. Door de huidkanker die hij ook heeft gehad, zalft zijn schoonzoon hem elke dag. Geertje grapt: ‘Daarom heeft u ook zo’n gladde huid.’

Jan is inmiddels helemaal gewend aan de medewerkers van het wijkteam. ‘Het voelt heel vertrouwd. Ze weten precies wat er moet gebeuren. Ze hebben respect voor wat ik wil en wie ik ben.’

Tips voor een lang leven

Dan is dat toch het moment om de vraag te stellen die aan elke 100-jarige wordt gesteld: wat is het geheim van zo oud worden? Anneke antwoordt alvast voor hem: ‘Hij maakt nooit ruzie. Hij is altijd vrolijk.’ Jan bevestigt dat: ‘Ik heb een hekel aan ruzie. Ik word niet snel boos, maar kan niet tegen onrecht. Verder drink ik niet zoveel alcohol. En wat ook belangrijk is, is om altijd bezig te blijven!’ Geertje bevestigt dat: ‘Hij heeft ook een boek over zijn leven geschreven dat door zijn dochter is vormgegeven met mooie foto’s,’ zegt ze wijzend naar het prachtige album dat op tafel ligt. ‘Hij beschrijft er zijn hele leven in. Jan blijft heel actief, houdt alles nog bij en is altijd positief. Jan: ‘Het glas is voor mij altijd halfvol!’